Eerder vandaag heb ik aangegeven waarom ik denk dat de nieuwe onderwijsplannen uit Den Haag volledig de plank misslaan. Als reactie op de plannen vroeg Clara Legêne zich af hoe het nu eigenlijk staat met de maatschappelijke stage. Het beeld van wispelturigheid dringt zich op. Haar bijdrage aan het debat lezend, moest ik denken aan een interview van een aantal jaren gelden met de nieuwe rector van de Universiteit Maastricht, Prof. Dr. G.P.M.F. Mols, in het alumni-blad.
In dit interview vergeleek hij het ministerie van onderwijs met tuinarchitecten. Tuinarchitecten ontwerpen tuinen. Zodra de tuin af is moet wordt deze verzorgd door de tuinmannen om er voor te zorgen dat de tuin tot volle wasdom komt. Een tuin die tot in de lengte der jaren met liefde wordt verzorgd door een vakbekwame tuinman is niet in het belang van de tuinarchitect. Hij wil nog mooiere tuinen ontwerpen. Echter, tuinen die de tijd krijgen om tot volle wasdom te komen kunnen niet opnieuw ontworpen worden.
Wat leert deze vergelijking ons? De belangrijkste les is wat mij betreft dat je soms geduld moet hebben om het gewenste effect te bereiken. Er zijn de afgelopen jaren al verschillende maatregelen genomen om het reken- en taalniveau van de leerlingen naar een hoger niveau te tillen. Het duurt even voordat dergelijke maatregelen effect hebben. Zeker waar het maatregelen betreft die de kwaliteit van de lerarenopleidingen meten verbeteren.
Dit lijkt op een tuinarchitect die een tuin heeft ontworpen en na het aanleggen vindt dat de tuin niet mooi genoeg is en als oplossing voorstelt om de tuin (gedeeltelijk) opnieuw te ontwerpen en aan te leggen. Een goede tuinman zal de tuinarchitect wijzen op het feit dat de meest planten eerst moeten groeien voordat ze hun schoonheid laten zien en het aanpassen van het ontwerp niet altijd de meest verstandige keuze is.
Rest mij de volgende vraag: Zijn er in Den Haag te veel tuinarchitecten en te weinig tuinmannen?
Gisteren presenteerde de minister van onderwijs, Marja van Bijsterveldt, het Actieplan Beter Presteren. Zij vraagt daarin advies van de Onderwijsraad, maar doet dat wel op zo’n manier dat ze de richting van het advies wel heel erg stuurt. Terecht is er ook behoorlijk wat kritiek. Wilfred Rubens gaat in op de vragen die onderwijsbeleidsmakers niet stellen maar wel zouden moeten stellen. Dit geeft weer aan dat weinig deelnemers aan het ‘Haagse circus’ beschikken over de competentie van kritisch nadenken. In aansluiting daarop maakt Harter Wassink een mooie vergelijking met de beroepseer van Limburgse vlaaienbakkers en de kwaliteit van het onderwijs.
Het beeld wat uit de plannen naar voren komt is dat er nog meer gestuurd gaat worden op output. Zal dat het onderwijs beter maken? Volgens mij niet. Daarvoor heb ik de afgelopen jaren teveel uitwassen gezien van dit mechanisme:
- Leraren die zich richten op het behalen van goede cijfers van de leerlingen bij het examen.
- Soepel nakijken bij de schoolexamens om zodoende een hoger gemiddelde te halen.
- ‘Rendementsweken’ bij een niet nader te noemen hogeschool.
- Docenten die dringend wordt verzocht de normering aan te passen of wat soepeler na te kijken.
- Alternatieve afstudeerroute bij INHolland.
- Calculerend gedrag van leerlingen. “Een zes is toch voldoende?”
- Etc.
Allen uitwassen van het sturen op output. Twee aspecten komen hier mijns inziens duidelijk naar voren. Ten is eerste straalt dit beleidsvoornemen georganiseerd wantrouwen uit. Met de verschillende toetsmomenten wil men scholen dwingen te komen tot betere scores. Ten tweede spreekt uit deze maatregelen het ongebreidelde geloof dat “hoe meer men meet, hoe meer men weet“. Dat dit niet altijd opgaat, heb ik al vaker betoogd.
Maar wat is nu eigenlijk de essentie van goed onderwijs? Daarvoor is het belangrijk om naar de leerdoelen te kijken. Daarvoor onderscheid ik twee soorten leerdoelen: (1) leren voor wisselwaarde en (2) leren voor gebruikswaarde. Het leren voor wisselwaarde is korte termijn gericht. Hierbij is het leren vooral gericht op het halen van een toets of examen. Een zesje is toch ook een voldoende. Het is net een hordenloopwedstrijd om het speelveld (het echte leven) in te mogen. Kennis wordt dus ingewisseld voor een cijfer. Het leren voor gebruikswaarde is daarentegen op de lange termijn gericht. Het leren is hierbij vooral gericht op welke wijze de kennis en vaardigheden (ook al zo’n onderbelicht onderwerp) in de toekomst een rol kunnen spelen. Kennis wordt vergaard en gebruikt om vooruit te komen en te slagen in het leven. Dit dient in de breedste zin van het woord te worden opgevat en niet alleen uitgedrukt in toekomstig salaris.
Nu weer even terug naar wat Bijsterveldt eigenlijk wil: de Nederlandse kenniseconomie moet bij de mondiale top horen. Waar moet het Nederlanse onderwijs zich op richten om dit te bereiken? Leren voor wisselwaarde of gebruikswaarde? Mijns inziens duidelijk het laatste. Het gaat er namelijk om dat de opgedane kennis en vaardigheden daadwerkelijk worden gebruikt. Dat betekent dan ook meer aandacht voor de input en het proces in het onderwijs en minder aandacht voor outputeisen. Als zowel input als proces goed zijn, dan komt het met de output ook wel in orde.