okt 2, 2009
Terechte kritiek op Wikiwijs?
Tijdens mijn vakantie zijn er een aantal kritische kanttekeningen bij het Wikiwijs-project geplaatst door een aantal edubloggers. Menigeen zal bij het lezen denken: goed punt, helemaal mee eens. De vraag die ik me stel is: klopt dat wel? Laten we er eens twee bekijken.
Karin Winters vraagt zich af waarom er niet op een web2.0 manier (via twitter) wordt geworven en begrijpt ook niet dat er al activiteiten kunnen worden ontplooid terwijl er nog geen programmamanager is. Misschien dat een aantal kwartiermakers al is begonnen? Er is trouwens al enige tijd een programmamanager bezig, maar dat had Karin ook al ontdekt.
Wilfred Rubens heeft ook zo z’n twijfels over het slagen. Met name de content van andere al bestaande partijen ziet hij niet zo snel opgenomen worden in Wikiwijs. Ik denk dat dat wel meevalt. Het project ‘Open methodes‘ laat zien dat er in korte tijd aardig wat materiaal verzameld kan worden. Daarnaast denk ik (of weet ik eigenlijk wel zeker) dat de mensen achter Wikiwijs wel op de hoogte zijn van allerlei andere initiatieven met betrekking tot het ontwikkelen van leermateriaal.
Daarnaast vindt hij het idee van een ‘referatory’ niet echt aantrekkelijk. RSS en social bookmarking zijn een beter alternatief. Maar hoeveel docenten werken er met twitter, rss of social bookmarking? Mijn inschatting is niet veel. En moet Wikiwijs wel voorop willen lopen met toepassingen die bij de grote massa niet bekend zijn? Volgens mij niet persé, de afstand met de docent moet niet te groot zijn om er voor te zorgen dat de drempel om mee te doen niet te hoog is.
Mijn belangrijkste bezwaar betreft de strategie. Open methodes is volgens mij vooral een top down methode (van bovenaf gestuurd; wat ik er van begrepen heb). Wikiwijs maakt m.i geen keuze. Wat betreft de tools en docenten. Ik ben het met je eens dat je voor draagvlak en haalbaarheid moet aansluiten bij de zone van naaste ontwikkeling van docenten (ook qua tools). Maar ik denk dat social bookmarking net zo vaak door docenten wordt gebruikt als een wiki.
Een top down methode is niet persé nadelig. Bottom up is namelijk ook niet zaligmakend omdat dan (zwart-wit gesteld) iedere docent die materiaal heeft z’n eigen website maakt. Het gevolg is een gefragmenteerd aanbod. Het klopt dat social bookmarking net zo vaak wordt gebruikt als een wiki. Maar Wikiwijs wordt geen wiki. Met de naam wil Plasterk de openheid van het materiaal en het feit dat iedereen er aan kan bijdragen symboliseren.
Openmethodes is trouwens ontstaan op initiatief van een enthousiaste natuurkunde docent (Hans Hensen).
Ik denk dat je Wikiwijs moet zien als een mogelijkheid voor docenten om alle bottom-up-initiatieven vindbaar en herbruikbaar te maken. Om een groot bruikbaar geheel te maken is een beetje top-down-initiatief ook nodig, anders fragmenteert het aanbod inderdaad.
In het SURF-magazine van dit kwartaal staat een interview met Richard Baraniuk, ontwerper van Connexions, een internetplatform voor open educatie. Hij zegt over Wikiwijs letterlijk: “Tot nu toe was open educatie vooral een bottom-up proces; nu het topdown wordt zal het heel snel gaan.” ( http://www.surf.nl/nl/OverSURF/Publicaties/Documents/SURF03_2009%20def.pdf )